2.b.2 Onderwijs

Onderwijs in de 70-er jaren

1. Tijdsbeeld

In ‘the Seventies’ was er sprake van veel veranderingen. Een decennium van protesten en opkomen voor je eigen rechten. Denk aan de Dolle Mina’s die strijd gaan voeren voor de gelijkberechtiging van man en vrouw. Veel veranderingen in de politiek. Daarnaast is er de oliecrisis in 1973 met de autoloze zondag en later nogmaals in 1979. Het terrorisme grijpt om zich heen, vliegtuigkapingen.

In de huiskamers zie je gehaakte versieringen, visnetten, zitzakken en biezen matten. Bruin, paars en oranje zijn de modekleuren. Wat outfit betreft zien we lang haar, mini-rok, later hot pants, wijde pijpen en puntkragen. En niet te vergeten de hippiebeweging en de disco. De overheid gaat allerlei zaken regelen: valhelmen voor bromfietsers, autogordels voor automobilisten. De periodieke autokeuring APK wordt ingevoerd; het blaaspijpje. En dan zijn er nog een heleboel nieuwe dingen, in willekeurige volgorde: roddelbladen zoals de Story, de glasbak, het koffiezetapparaat, de ligboxenstal, het dekbed, de kleurentelevisie en de meubelboulevard.

2. Onderwijs golft

Inderdaad, dat hebben wij  in die 40 jaren wel ondervonden. In de 70-er jaren groeit de school aanzienlijk en onder leiding van de nieuwe directrice Elly Sweere wordt er flink aan de weg getimmerd. Aan haar manier van leiden moet het team wel wennen. Er worden diverse vernieuwingen ingevoerd, gebouwelijk maar ook organisatorisch en onderwijskundig. De maandagmiddag wordt het wekelijkse vergadermoment. Op den duur ontstaat er door de nieuwe aanpak steeds meer onvrede en wrevel. In 1975 is de nood zo hoog dat dit aan de hand van een enquête ook besproken en geëvalueerd wordt: 74 vragen en 152 kantjes met antwoorden. Een lijvig boekwerk. In het eerste schooljaar van Pieter was er meteen feest. De school bestaat 25 jaar. Het schoolbestuur kiest er voor om er niet te veel ruchtbaarheid aan te geven. Dat bestuur vergadert regelmatig en het voorzitterschap was toen in handen van dhr. Allard. In 1974 wordt hij opgevolgd door dhr. Harrie Kanters. Op een heel rustige en wijze manier heeft hij daarna jarenlang de school bestuurd. Betrokkenheid onder het personeel was er zeker wel. Om maar een voorbeeld te geven, de verjaardag van een collega ging nooit onopgemerkt voorbij. De directie wenste je zelfs nog een goed uiteinde op de vooravond van je geboortedag! En iedere keer moest je bij alle collega’s een gulden ophalen en de eerstvolgende jarige daarvan een cadeau aanbieden. Zie hieronder voor een impressie uit die beginjaren.

3. Schoolwerkplan (afgekort SWP)

Begin jaren 70 werd de directie uitgebreid met een persoon die verantwoordelijk werd gemaakt voor het onderwijsgebeuren. Dat was een goede zaak. Henk van Wijk werd benoemd. Het schoolwerkplan, afgekort met SWP, deed zijn intrede. Daarin werd het hele onderwijsproces vastgelegd en verantwoord richting inspectie. Dat was een crime en het heeft veel tijd gekost in het begin. We gingen werken met een planning; er volgden jaarlijks evaluaties. Zonder meer een vooruitgang. In het SWP stond letterlijk alles in: plattegronden, huisregels voor personeel en leerlingen, de huistelefooninstallatie enz. Achteraf gezien veel te veel. Het werd steeds meer een papieren tijger die je nadien, vakmatig gezien, nog maar zelden raadpleegde.

Hieronder een voorbeeld van een evaluatie uit 1972-1973 en een fotogalerij over het SWP.

4. Projectonderwijs

In het begin van de 70-er jaren gaf ik als AVO-docent les aan drie tot 4 klassen. Een heleboel verschillende vakken. Projectonderwijs dat thematisch was opgezet was toen heel erg in. Moderner kon niet. Ik kan me herinneren dat we op school met de methode ‘Perspectief’ van Ten Brink werkten. Binnen zo’n thema waren er raakvlakken met Aardrijkskunde, Geschiedenis en Biologie.

Naast de methode ‘Gedachte, klank en teken’ werden via ‘Dieseloefeningen’ de werkwoordsvormen ingeslepen als tijdens de normale les was gebleken dat een leerling hiaten had op dit gebied. Van lokaal wisselen was een zeldzaamheid voor zowel docenten als leerlingen. Destijds kwam ook het volgen van cursussen in zwang. Je moest ‘breder’ worden zoals dat heette. Ook in bevoegdheden. De ene applicatie na de andere. Dat had dan als voordeel dat je weer enkele schalen in salaris hoger kwam.

In die tijd gaf Mieke het vak Zorg voor de voeding, woning, kleding en gezondheid. Heel in het kort leerden de leerlingen koken, wassen, strijken, poetsen en alle andere huishoudelijk werk. Onder de gezondheid viel de persoonlijke verzorging maar ook allerlei ziektes enz. In een later stadium ging men voortaan van huishoudkunde en gezondheidskunde spreken. Hieronder wederom een fotogalerij met bijzondere momenten uit die tijd.

5. Doe-dag

Ook de creativiteit kreeg in de 70-er jaren een impuls. Kinderen moeten zelfstandig(er) worden. Je moet ze daarom niet te veel beperken in hun wensen. Laat ze verkennen, meepraten en meebeslissen. Kinderen zullen dan ook creatiever worden. Op de schrikkeldag van 1972 organiseert de BAD-commissie o.l.v. Martien Verberne daarom een creatieve dag ofwel de DOE-dag genaamd. Leerlingen kunnen zich opgeven voor het maken van sieraden, het bewerken van hout, emailleren, iets bakken enz. Er zijn die dag verschillende keuzemomenten. In elk lokaal is wel iets te doen. En … de jaren erna wordt er jaarlijks zo’n dag georganiseerd! De overige foto’s hieronder zeggen genoeg.

6. Differentiatie

De maatschappelijke ontwikkelingen zorgen er ook voor dat leerlingen langer naar school gaan. Ouders vragen meer en langer onderwijs zodat ze meer inzicht krijgen in het eigen kunnen en kennen van hun kinderen. Het Lager Beroepsonderwijs wordt daarom 4-jarig. Elly Sweere zit in de werkgroep die deze uitbreiding voorbereidt. Ook moet elke leerling kans krijgen zich op eigen niveau en in eigen tempo te kunnen ontwikkelen. Daarom kun je op het einde van leerjaar 4 examen doen op verschillend niveaus. Dat houdt in dat je leerlingen in leerjaar 2 en leerjaar 3 op drie niveaus (A, B of C) moet indelen. Er worden daarvoor criteria opgesteld. Dit speelt rond 1975. De docent moet op zeker moment dan ook gedifferentieerd les gaan geven. In dit verband worden nieuwe didactische werkvormen geintroduceerd zoals Mastery Learning. Immers, we hadden ook het Individuele Beroepsonderwijs, in dit geval het IHNO. We werkten op het gebied van differentiatie nauw samen met ‘St.Bernadette’, een LHNO school uit Valkenswaard waar een vriendin van onze directrice, Door Braam, toen leiding gaf. Bij Mastery Learning wordt de leerstof in mootjes gehakt en worden heel nauwkeurig doelen geformuleerd. Vooral zwakkerpresterende leerlingen hebben baat bij deze aanpak. Elke leerling kan op eigen tempo door de leerstof gaan; er is geen onnodige herhaling en tussentijds wordt er regelmatig (diagnostisch) getoetst. Ook werden een aantal bijzondere klassen opgestart: de determinatie- en de schakelklas en wel vanaf het schooljaar 1975-1976. Deze klassen zijn in het leven geroepen om een betere en ook gefundeerde onderwijskeuze te kunnen maken. Hieronder nog een voorbeeld van een leerstofthema van huishoudkunde volgens Mastery Learning van Mieke en Zr.Ernestine. 

. Zie voor een verdere impressie de volgende foto’s.

7. De allereerste schoolkrant

Een schoolkrant is een tijdschrift dat op reguliere basis uitgegeven wordt door een school. Dat is zeg maar de meest bondige omschrijving. Meestal wordt de krant door en voor de leerlingen gemaakt. En soms zitten er ook personeelsleden in de redactie. Vaak speelde op de achtergrond ook de mening van de schoolleiding een rol maar tegenwoordig is er toch een soort redactionele vrijheid. In de 70-er jaren werd een schoolkrant meestal gestencild maar tegenwoordig, anno 2018, wordt er vaak een externe drukkerij ingeschakeld. De mogelijkheden zijn wat betreft legio. Hieronder in zijn geheel de 1e schoolkrant. Tip: gebruik de ‘pop-out’ rechtsboven om de krant in een groter formaat te kunnen bekijken.

In de jubileumuitgave van schoolkrant nr. 44 van maart 1980 wordt stilgestaan bij het 10 jarig bestaan van de schoolkrant.

De schoolkrant, aldus adjunct directeur Riet Angenendt in haar voorwoord, is 10 jaar geleden geboren om het contact tussen de school en de ouders van onze leerlingen te bevorderen. De school bestond in 1970 uit 400 leerlingen en 35 personeelsleden. U begrijpt dat een schoolkrant in een school met deze omvang niet mag ontbreken.

In de loop der jaren veranderde hij meerdere malen van naam (toen Het Sproetje en nu De Inktvlek), van jasje, van dikte, van inhoud van illustratie en van kwaliteit. Dit kwam doordat men steeds meer interesse toonde, men werd handiger en op de administratie kwam betere apparatuur, waardoor een waardevoller product kon worden aangeboden.

Op ouderavonden is de reactie over de schoolkrant erg positief. Als de schoolkrant uitkomt is het op de docentenkamer erg rustig want iedereen is vol belangstelling. Kom je in de klas en heb je de schoolkrant bij je, dan is het verstandiger om die uit te delen na de les, anders zou de belangstelling wel eens anders gericht kunnen zijn! Voor de redactie moeten dit redenen zijn om door te gaan met de krant. Moge wij U daarbij veel succes toewensen.

In de 80-er jaren wint de school zelfs een 1e prijs met de schoolkrant. Zie in onderstaande fotogalerij ook de foto van ‘de geboorte van de schoolkrant’, een artikel geschreven door een van de eerste redactieleden, Martien Verberne.

8. Het documentatiecentrum

Leerlingen moet je leren om zelf informatie te vinden voor een bepaald onderwerp,een spreekbeurt, een boekverslag. Daar leren ze meer van dan wanneer de docent het allemaal voorgekauwd aandraagt. Die onderwijsgedachte kreeg begin jaren 70 steeds meer vorm door op school een documentatiecentrum in te richten. Niet alleen boeken, naslagwerken maar ook dia’s, kaarten, folders, foto’s en films. Daarom verzorgde ik ook de audio-visuele middelen op school.  Martien Verberne en ik hadden samen de taak toebedeeld gekregen om zo’n documentatiecentrum in onze school gestalte te geven. Wekelijks waren daar overleguren voor ingeroosterd. Eerst wed het centrum ondergebracht in lokaal 21, het vroegere overblijflokaal van de Trip. Later werd het ondergebracht in een nieuwe lesruimte deel uitmakend van de fietsenkelder, onder de 1e gymzaal gelegen.

We gebruikten, net als bijna alle openbare bibliotheken een classificatiesysteem dat bekend staat onder de naam SISO. Het is de afkorting van Schema voor de Indeling van de Systematische catalogus in Openbare bibliotheken. Het systeem is gebaseerd op wetenschapgsgebieden: 100 = wijsbegeerte; 200 = godsdienst enz. Elk boek, naslagwerk, diaserie of wat dan ook kun je via een code rangschikken.

Van het potje geld dat we ter beschikking hadden werden metalen boekenkasten gekocht. En verder kochten we hele series naslagwerken, encyclopedieën enz. en uiteraard werden ook de bestaande boeken in dit systeem ondergebracht. Het personeel heeft diverse middagen – als je toch moest wachten op een volgende rapportvergadering –  besteed aan het plastificeren van boeken.  En zo maakte menig docent voor zijn vak gebruik van dit centrum. Om een boek te raadplegen voor een werkstuk of voor het bekijken van een diaserie. Er werd zelfs een speciaal lokaalrooster voor gemaakt. Van heinde en verre kwamen scholen kijken en mochten Martien en ik ze voorlichten over de gebruiksmogelijkheden maar ook over de knelpunten. Zoals het niet juist terugzetten van een boek volgens dat coderingssysteem. Een grote ellende was dat. Maar intussen kregen we zodoende al regionale bekendheid. Wij waren immers op dat moment koploper, zeker in het Zuid-Nederland. Hieronder het instructieboekje dat de leerlingen wegwijs moest maken in het documentatiecentrum. Zie verder de fotogalerij, eveneens hieronder.

In de daaropvolgende jaren 80 kwamen accenten in het onderwijs al weer anders te liggen. Het documentatiecentrum werd ontmanteld en werd de ruimte overgenomen door het simulatiebedrijf Homed ‘RADO’ van kantoorpraktijk. Dit oefenbedrijf werd in 1988 officieel geopend.

9. Vormingsdagen

Op de middelbare school maken jongeren over het algemeen grote veranderingen mee. Het lichaam verandert. Ze doen ook nieuwe ervaringen op in relaties, in het omgaan met elkaar. Hoe denk je ergens over? Het maken van afspraken, gedragsregels, aandacht voor pesten. Je standpunt leren bepalen. En vooral: hoe leer je omgaan met die verschillen? De school en het team biedt daarbij de helpende hand. Ook wordt soms externe hulp ingeschakeld zoals bij ‘vormingsdagen’ het geval is. Op ‘Sancta Maria’ gebeurde dat, begin 70-er jaren, aanvankelijk in leeerjaar 3. Leerlingen en klassendocenten gingen naar groepsaccommodatie ‘Zonnewende’ in St.Michielsgestel. De BAD (buitenschoolse activiteiten dienst) commissie onder leiding van Martien Verberne had daar een dienende rol in. En ook het godsdienstige aspect mocht niet verwaarloosd worden.

Enkele jaren later viel de keuze op een vormingscentrum in Zuid-Limburg. Vormingscentrum ‘Wormdael’ in Eygelshoven, op het voormalige terrein van de mijnen Laura en Julia. Daar konden meerdere klassen tegelijk naar toe. En ook het kostenaspect speelde destijds een grote rol. Later verhuisde het vormingscentrum naar nieuwbouw in het centrum van Sittard.

Er werd op school altijd een ouderavond georganiseerd waarbij de leiders van het vormingsinstituut toelichting kwamen geven op het doel en het programma. ‘Uw dochters – de jongens volgden pas later –  worden toevertrouwd aan een aantal bekwame mensen, die goed op de hoogte zijn van de problemen van deze tijd en van onze jeugd’ wordt in de uitnodigingsbrief vermeld. In deze 70-er jaren zijn Mieke en ik heel wat jaren als begeleiders mee geweest naar ‘Wormdael’. De onderwerpen kwamen in de regel neer op ‘relaties’, tussen ouders en kinderen maar ook ‘jongen-meisje’, het rolgedag dan met name. Verslaving en dan met name ‘drugs’ stond op het programma. De gesprekken met politie, dealers en ex-verslaafden lieten meestal een diepe indruk na. Daarnaast was er ook nog tijd voor ontspanning en sport. Judo, een dropping, kegelen waren geliefde items. Over het algemeen was deze week een heel nuttige week aangezien deze op zeker moment aan het begin van het vierde leerjaar werd gepland. Dat kwam de kennismaking binnen de nieuwe klassensamenstelling prima van pas. Hieronder een voorbeeld van een verslag van zo’n week en een aantal foto’s.

Eind jaren 70 ging Henk van Wijk – het onderwijsgebeuren stond al behoorlijk op de kaart – naar een school in Best.  Henk ging en Frans Hendriks kwam. Geen onbekenden van elkaar; studiejaargenoten dacht ik. Waar Henk was gebleven ging Frans verder. Je kunt stellen dat in dit decennium de basis werd gelegd, door de directie goed aangestuurd, om binnen afzienbare tijd tot de top van Nederland te gaan behoren. Ook zal me altijd bijblijven dat in deze periode inspraak in diverse zaken op touw werd gezet zoals het chremium ‘de Staf’ waarin elke vakgroep zijn of haar vertegenwoordiger had zitten. Mieke zat daar als vakgroephoofd van een aantal beroepsgerichte vakken ook in. En ook dat ging met vallen en opstaan. Elke maandagmorgen werd er vergaderd.

 

2.b.3 Wiskunde

Wiskunde 70-er jaren

Wiskunde zoals we dat tegenwoordig kennen, werd toen niet gegeven. Er werd via ‘Wikken en wegen’ nog volop gerekend. Veel vraagstukjes maar ook het hoofdrekenen kreeg de aandacht. Rekenmachines waren er nog niet voor het onderwijs. Redactiesommen. Geleidelijk aan zag je dat er meer Statistiek in het programma werd ingebouwd. En ook de Verzamelingenleer deed zijn intrede: de elementen, de Natuurlijke getallen, de doorsnede, de deelverzamelingen enz. Rond 1975 gingen we bij de bestaande NCB wiskundemethode extra leerstofmateriaal schrijven.  Daarbij hanteerden we Mastery Learning als differentiatiemodel. Als snel kwamen we er achter dat, wanneer we van methode zouden veranderen, ook al het extra materiaal ergens diep achter in de kast kon verdwijnen. We waren veel te afhankelijk. En zo ontstond het idee, samen met de LHNO school St. Bernadette te Valkenswaard– daar was de huisvriendin van Elly Sweere de directrice – een nieuwe wiskundemethode te schrijven. Henk van Wijk zou samen met Wilbert Reuter het proces begeleiden. Ruud Ivens, Wim van Dongen en ik, Pieter Willems waren de auteurs. Samen met collega René Cober bedachten we een eenvoudig figuurtje dat in alle plaatjes de teksten en begrippen kon verduidelijken: Bolleboosje. In de bovenbouw zijn er nog enkele andere auteurs aan toegevoegd zoals Piet Koorevaar uit Schoonhoven. Wilbert Reuter had inmiddels al lang een andere baan. Talloze avonden van overleg volgden. Vooral in Middelbeers bij Henk van Wijk thuis. En met de nodige trots zijn we een keer, ik dacht ergens in Ede, op een conferentie geweest waarbij wij namens onze uitgeverij, Nijgh & VanDitmar, de methode mochten presenteren. Onze doelstelling was om een goede wiskundemethode te schrijven. Dat is ook gelukt. Maar om daarmee een groot marktaandeel van andere uitgeverijen (Moderne Wiskunde en Getal en Ruitme) af te snoepen valt niet mee in onderwijsland. Ook ons is dat destijds niet gelukt. Het aantal gebruikers bleef relatief laag. En ook ons was toen al snel duidelijk dat je voor het geld geen methode moet gaan schrijven. Een zeilboot is altijd een droom gebleven! In ieder geval voor Henk van Wijk.

Hieronder een gedeelte uit een artikel n.a.v. ‘Meten van Lengte’ (auteur Pieter Willems) uit de methode Wiskunde in Uitvoering  die ik op het Internet een aantal jaren geleden tegenkwam. Enkele stukken ontleend aan het artikel (Kieskleurig, handleiding intercultureel lesmateriaal van Ineke Mok & Peter Reinsch d.d. 1999)

Dit boek was in de jaren tachtig nog in omloop. Het loont de moeite om er even in detail naar te kijken. Om te beginnen een kleinigheid waar je licht overheen leest: ‘Dicht bij de kust van Afrika’. Waar zou dat zijn? De kust van Afrika is enkele tienduizenden kilometers lang. Blijkbaar vindt de auteur een nauwkeuriger plaatsaanduiding niet nodig, hetgeen past bij het beeld van Afrika als ongedifferentieerd, diffuus en ver weg. Het is ironisch dat deze plaatsaanduiding voorkomt in de openingstekst van een hoofdstuk dat nu juist het meten van lengte en afstand tot onderwerp heeft.

Het eiland droeg vroeger de naam ‘Rimboea’; hoe het nu heet is blijkbaar niet van belang. De naam kan niet anders dan afgeleid zijn van ‘rimboe’. Rimboe roept twee associaties op, afhankelijk van het perspectief dat je kiest. Een westerling die de rimboe ingaat, is onverschrokken en tegen ontberingen opgewassen. Maar mensen die in de rimboe wonen zijn primitief en achterlijk.

De tweede zin bevat een stevig waardeoordeel: ‘bepaalde gewoontes waar ze niet van af wilden stappen’. Was dat dan nodig? Heeft iemand geprobeerd ze ervan af te brengen?

De rest van de tekst beschrijft drie van die gewoontes, ontsproten aan het brein van de auteur. Bij wijze van uitsmijter zet de tweede zin van de opdracht de Rimboeanen nog even extra op hun plaats: ‘Gebruiken wij die maten nu nog?’

Het is onwaarschijnlijk dat je in leerboeken van nu iets van het kaliber van Rimboea zult tegenkomen. Ik heb het hier besproken als uitvergroting van verschijnselen die in subtielere, meer verborgen vorm in recente schoolboeken wél zijn aan te treffen.

Wat moet een docent met een tekst als deze? Algemeen geldende adviezen zijn lastig te geven, want een aanpak die in de ene klas werkt hoeft in een andere klas volstrekt niet aan te slaan. Toch geef ik enkele adviezen voor het geval de leerkracht van mening is dat de gewraakte passage niet zonder correctie aan de leerlingen voorgehouden kan worden. Persoonlijk geef ik de voorkeur aan pogingen om leerlingen de passage zelf te laten ‘doorprikken’ door een richtvraag te stellen die past bij het karakter van het stuk in kwestie. Bij Rimboea zou ik vragen: ‘Wat denk je, is dit stukje echt, of is het verzonnen? Waar zie je dat aan?’

Rond de beantwoording van die vragen is een klassegesprek te voeren waarin de elementen uit de eigen analyse van de leerkracht ongetwijfeld opduiken. Pas daarna is het tijd voor een oordeel. Geef leerlingen de kans om zich uit te spreken, maar oefen geen zware druk uit. Eventueel kan de docent de leerlingen voorhouden dat dit stukje leerstof in het boek niet behandeld wordt. Het is moeiteloos te vervangen door ander materiaal.

2.b.4 Examen

Examen 70-er jaren

Het Examen in de 70-er jaren was heel anders geregeld. Er was maar één examentijdstip en dat was toentertijd ook al in de maand mei. Alles hing van dat ene moment af. Schoolexamens kenden we niet. Geen schoolexamenweken; gewoon les. De leerlingen maakten dan een P-examen of T-examen. De ‘P’ stond voor de meer praktijkgerichte leerlingen; de ‘T’ voor de meer theoretisch gerichte leerlingen. Ook toen waren er al leerlingen die voor een bepaalde vak een zogenaamd aanvullend T-examen aflegden. Dan was in de loop van het schooljaar gebleken dat de leerling wel bepaalde kwaliteiten had voor dat vak.

Ik kan me nog herinneren dat in het schooljaar 71-72, ergens in april – ik denk tijdens de Paasvakantie –  Elly Sweere, Matern Gijsen en ik een middag naar school kwamen om het rooster samen te stellen voor het centraal examen. Op dit moment kost dat avonden werk maar deze klus was vrij snel geklaard. Ook mondelinge examens werden gepland. Ik dacht voor Nederlands.

De leidraad voor het examen was een lichtblauw boekje: het eindexamenbesluit. Dat is nog heel lang geldig gebleven.

In de loop van de 70-er jaren werd alles anders. Er kwamen niveaus: A, B en C. Het D-niveau was voorbehouden voor de Mavo-leerlingen. Je moest per niveau een apart examen maken en daarbij vooral de leerdoelen bewaken. Leerlingen konden op dubbelniveau examen afleggen. Zodoende waren in veel gevallen twee cijfers achter een vak zichtbaar op het rapport. En op het einde werd dan het hoogste niveau gekozen. Mits je met die cijfers slaagde!

Diplomauitreikingen vonden in die tijd op verschillende locaties plaats. Er was immers nog geen aula.

Aanvankelijk werden de diploma’s uitgereikt in De Vierspan, de gemeenschapsruimte van Deurne-centrum. Ook toen traden  de docenten al op met een stukje: de schnitzelbank.

Later in gemeenschapshuis  Den Deel in Zeilberg, waar door docenten het toneelstuk ‘Loop naar den duvel’ werd opgevoerd. En Joh Coolen had dan vaak met leerlingen iets muzikaals ingestudeerd en Martien Verberne was altijd , namens de BAD-commissie, de ceremoniemeester.

T.z.t. volgt hier in ieder geval een geluidsopname van de opvoering van dit toneelstuk en als de techniek het toelaat aangevuld met  8mm filmopnamen.