2.b.2 Onderwijs

Onderwijs in de 70-er jaren

1. Tijdsbeeld

In ‘the Seventies’ was er sprake van veel veranderingen. Een decennium van protesten en opkomen voor je eigen rechten. Denk aan de Dolle Mina’s die strijd gaan voeren voor de gelijkberechtiging van man en vrouw. Veel veranderingen in de politiek. Daarnaast is er de oliecrisis in 1973 met de autoloze zondag en later nogmaals in 1979. Het terrorisme grijpt om zich heen, vliegtuigkapingen. 

In de huiskamers zie je gehaakte versieringen, visnetten, zitzakken en biezen matten. Bruin, paars en oranje zijn de modekleuren. Wat outfit betreft zien we lang haar, mini-rok, later hot pants, wijde pijpen en puntkragen. En niet te vergeten de hippiebeweging en de disco. De overheid gaat allerlei zaken regelen: valhelmen voor bromfietsers, autogordels voor automobilisten. De periodieke autokeuring APK wordt ingevoerd; het blaaspijpje. En dan zijn er nog een heleboel nieuwe dingen, in willekeurige volgorde: roddelbladen zoals de Story, de glasbak, het koffiezetapparaat, de ligboxenstal, het dekbed, de kleurentelevisie en de meubelboulevard.

2. Een nieuwe generatie

In de 70-er jaren groeit de Deurnese school flink en onder leiding van de nieuwe directrice Elly Sweere wordt er flink aan de weg getimmerd. Veel nieuwe gezichten (o.a. Diny, Piet, Jac, Kitty, Pieter, Rinus) , nieuwe inzichten en ideeën. Zo wordt de leerlingbegeleiding mede door de komst van het I.H.N.O. in 1970 anders van opzet. De driejarige opleiding voor meisjes wordt een vierjarige school voor meisjes èn jongens! We gaan in de les meer moderne hulpmiddelen gebruiken. Pieter krijgt bijvoorbeeld als taak de Audio-Visuele middelen te structureren. Als een van de eerste scholen in Nederland krijgen we een documentatiecentrum zodat leerlingen zelf op onderzoek kunnen. Kortom er worden diverse vernieuwingen ingevoerd, gebouwelijk maar ook organisatorisch en onderwijskundig. De maandagmiddag wordt het wekelijkse vergadermoment. ‘Alwéér een vergadering?’ is een vaak gehoorde vraag in de wandelgangen. Dat is ook een gevolg van de manier van leiden door Elly Sweere; daar moet het team wel aan wennen. Ook het schoolbestuur vergadert vaker. Het voorzitterschap was toen in handen van dhr. Allard. In 1974 wordt hij opgevolgd door dhr. Harrie Kanters. Op een heel rustige en wijze manier heeft hij daarna jarenlang de school bestuurd. Op den duur ontstaat er door de nieuwe aanpak en werkdruk steeds meer onvrede en wrevel. In 1975 is de nood zo hoog dat dit aan de hand van een enquête ook met het hele team besproken en geëvalueerd wordt: 74 vragen en 152 kantjes met antwoorden. Een lijvig boekwerk. In het schooljaar 1971-1972 – het eerste schooljaar van een grote groep waaronder Pieter –  was er meteen feest. De school bestaat 25 jaar. Het bestuur kiest er echter voor om er niet te veel ruchtbaarheid aan te geven. Zie verder hieronder de fotogalerij.

3. Het onderwijs van toen

In het begin van de 70-er jaren gaf ik als AVO-docent les aan drie tot vier klassen. Een heleboel verschillende vakken. Projectonderwijs dat thematisch was opgezet was op dat moment heel erg in. Moderner kon niet. Ik kan me herinneren dat we op school met de methode ‘Perspectief’ van Ten Brink werkten. Binnen zo’n thema waren er raakvlakken met Aardrijkskunde, Geschiedenis en Biologie. Voor het vak Nederlands werd de methode ‘Gedachte, klank en teken’ gebruikt. Daaarnaast werden via ‘Dieseloefeningen’ de werkwoordsvormen ingeslepen als tijdens de normale les was gebleken dat een leerling hiaten had op dit gebied. Voor rekenen maakten we gebruik van de methode ‘Wikken en Wegen’. Er werd volop gerekend: naast hoofdrekenen veel vraagstukjes en redactiesommen. Daarnaast steeds meer Statisitiek en ook de verzamelingenleer deed zijn intrede. Van lokaal wisselen was een zeldzaamheid voor zowel docenten als leerlingen. De lesroosters van docenten, aanvankelijk allemaal met de hand geschreven door roostermaker Elly Sweere, zijn er nog het bewijs van. Destijds kwam ook het volgen van cursussen in zwang. Je moest ‘breder’ worden zoals dat heette. Ook in bevoegdheden. De ene applicatie na de andere. Dat had dan als voordeel dat je weer enkele schalen in salaris hoger kwam. In die tijd gaf Mieke het vak Zorg voor de voeding, woning, kleding en gezondheid. Heel in het kort leerden de leerlingen koken, wassen, strijken, poetsen en alle andere huishoudelijk werk. Onder de gezondheid viel de persoonlijke verzorging maar ook allerlei ziektes enz. In een later stadium ging men voortaan van huishoudkunde en gezondheidskunde spreken. In die tijd werd er ook jaarlijks de nationale ‘huishoudscholendag’ georganiseerd. Allerlei soorten schotels die dan door de vakjury beoordeeld werden. Zie verder de foto’s hieronder.

Hieronder (een gedeelte van) de schoolgids uit het schooljaar 1978-1979. Tip: gebruik de ‘pop-out’ rechtsboven om de gids in een groter formaat te kunnen bekijken.

[embeddoc url=”https://www.pieterenmieke.nl/wp-content/uploads/1978-1979-Sancta-Maria-schoolgids-1.pdf” width=”50%” height=”50%” viewer=”google”]

4. Schoolwerkplan (afgekort SWP)

Begin jaren 70 wordt de directie uitgebreid met een persoon die verantwoordelijk werd gemaakt voor het onderwijsgebeuren. Dat was een goede zaak. Henk van Wijk wordt benoemd. Eén van zijn eerste taken is om een schoolwerkplan (SWP) te realiseren: Een overzicht van de organisatie en de inhoud van het onderwijs helemaal op maat van de school. Welke doelen wil ‘Sancta Maria’ met haar onderwijs bereiken, met welke voorzieningen, werkvormen, beoordelingen, contacten met ouders enz. Hij weet het team van de noodzaak ervan te overtuigen en vooral te motiveren. 

Dat was een hele crime en het heeft veel tijd gekost in het begin. Vallen en weer opstaan. We gingen werken met een planning; er volgden jaarlijks evaluaties. Het team zet er met alle betrokkenen de schouders onder. Met veel geduld omschrijvingen opnieuw of toch anders formuleren. In dat SWP stond letterlijk alles in: beschrijvingen van allerlei taken, doelen, tabellen, plattegronden, huisregels voor personeel en leerlingen, de huistelefooninstallatie enz. Zonder meer een vooruitgang. Achteraf gezien echter veel te omvangrijk en te omslachtig. Het wordt steeds meer een papieren tijger die je nadien, vakmatig gezien, nog maar zelden raadpleegt. Pas met de kerndoelen – in 1993 ingevoerd – komt er een soort ‘revival’ van het SWP. Zie verder de foto’s hieronder. 

5. Differentiatie

De maatschappelijke ontwikkelingen zorgen er ook voor dat leerlingen langer naar school gaan. Ouders vragen meer en langer onderwijs zodat ze meer inzicht krijgen in het eigen kunnen en kennen van hun kinderen. Het Lager Beroepsonderwijs wordt daarom 4-jarig. Elly Sweere zit in de werkgroep die deze uitbreiding voorbereidt. Ook moet elke leerling kans krijgen zich op eigen niveau en in eigen tempo te kunnen ontwikkelen. Daarom kun je op het einde van leerjaar 4 examen doen op verschillend niveaus. Dat houdt in dat je leerlingen in leerjaar 2 en leerjaar 3 op drie niveaus (A, B of C) moet indelen. Er worden daarvoor criteria opgesteld. Dit speelt rond 1975. De docent moet op zeker moment dan ook gedifferentieerd les gaan geven. In dit verband worden nieuwe didactische werkvormen geintroduceerd zoals Mastery Learning. Bij Mastery Learning wordt de leerstof in mootjes gehakt en worden heel nauwkeurig doelen geformuleerd. Vooral zwakkerpresterende leerlingen hebben baat bij deze aanpak. Elke leerling kan op eigen tempo door de leerstof gaan; er is geen onnodige herhaling en tussentijds wordt er regelmatig (diagnostisch) getoetst. Ook worden in schooljaar 1976-1977  een aantal bijzondere klassen opgestart: de determinatieklas, enthousiast geleid door Diny Michels en Hans van Rutte. In de bovenbouw is er de schakelklas. Deze valt onder het IHNO waar de klassen een stuk kleiner zijn. Beide klassen zijn in het leven geroepen om een betere en ook gefundeerde onderwijskeuze te kunnen maken. Henk van Wijk is ook op het gebied van de differentiatie en de speciale klassen degene die ons wegwijs maakt. We werken nauw samen met ‘St.Bernadette’, een LHNO school uit Valkenswaard waar een vriendin van onze directrice, Door Braam, leiding geeft. Eind jaren 70 gaat Henk van Wijk – het onderwijsgebeuren staat dan al behoorlijk op de kaart – naar een school in Best. Henk gaat en Frans Hendriks komt. Geen onbekenden van elkaar; studiejaargenoten. Waar Henk was gebleven gaat Frans verder.

6. Een hecht team

De betrokkenheid en motivatie onder het personeel is hoog. Dat heeft de al eerder genoemde  enquête wel aangetoond. Een jubileum, van koper of zilver, of een andere festiviteit krijgt alle aandacht. En bijna altijd een boekje met veel zelf geschreven liedjes. En meestal orkestbegeleiding door een aantal collega’s. En al die buitenschoolse activiteiten zoals een Kerstviering, een sportdag, de orientatietocht op het einde van het schooljaar, Of het samen vieren van je verjaardag met je mentorklas. Met het personeel wekelijks samen volleyen; naar Deurne kermis;  het pauzeplein ijsvrij maken; of het toneelstuk of cabaret bij de diploma-uitreiking. En niet te vergeten de personeelsreizen en het zingen bij onze huwelijksmis in 1978. De investering in dit soort activiteiten is groot en het resultaat is een hecht team. Om nog maar een voorbeeld te geven, de verjaardag van een collega ging nooit onopgemerkt voorbij. De directie wenste je zelfs nog een goed uiteinde op de vooravond van je geboortedag. En iedere keer moest je bij alle collega’s een gulden ophalen en de eerstvolgende jarige daarvan een cadeau aanbieden. Later gevolgd daar andere varianten zoals het aanbieden van een cadeautje afkomstig van je eigen zolder, vallend in de categorie ‘prullaria’. 

Hieronder nog een geluidsfragment van de oriëntatietocht voor het personeel uit 1976. Alle teams worden uitgerust met een cassetterecorder en … een bandje ! 

 

7. Doe-dag

Ook de creativiteit kreeg in de 70-er jaren een impuls. Kinderen moeten zelfstandig(er) worden. Je moet ze daarom niet te veel beperken in hun wensen. Laat ze verkennen, meepraten en meebeslissen. Kinderen zullen dan ook creatiever worden. Op de schrikkeldag van 1972 organiseert de BAD-commissie o.l.v. Martien Verberne daarom een creatieve dag ofwel de DOE-dag genaamd. Leerlingen kunnen zich opgeven voor het maken van sieraden, het bewerken van hout, emailleren, iets bakken enz. Er zijn die dag verschillende keuzemomenten. In elk lokaal is wel iets te doen. En … de jaren erna wordt er jaarlijks zo’n dag georganiseerd! De overige foto’s hieronder zeggen genoeg.

 8. De allereerste schoolkrant

Een schoolkrant is een tijdschrift dat op reguliere basis uitgegeven wordt door een school. Dat is zeg maar de meest bondige omschrijving. Meestal wordt de krant door en voor de leerlingen gemaakt. En soms zitten er ook personeelsleden in de redactie. Vaak speelde op de achtergrond ook de mening van de schoolleiding een rol maar tegenwoordig is er toch een soort redactionele vrijheid. In de 70-er jaren werd een schoolkrant meestal gestencild maar tegenwoordig, anno 2018, wordt er vaak een externe drukkerij ingeschakeld. De mogelijkheden zijn wat betreft legio. Hieronder in zijn geheel de 1e schoolkrant. Tip: gebruik de ‘pop-out’ rechtsboven om de krant in een groter formaat te kunnen bekijken.[embeddoc url=”https://www.pieterenmieke.nl/wp-content/uploads/1970-1e-schoolkrant-wm-verb.pdf” width=”50%” height=”50%” viewer=”google”]

In de jubileumuitgave van schoolkrant nr. 44 van maart 1980 wordt stilgestaan bij het 10 jarig bestaan van de schoolkrant.

De schoolkrant, aldus adjunct directeur Riet Angenendt in haar voorwoord, is 10 jaar geleden geboren om het contact tussen de school en de ouders van onze leerlingen te bevorderen. De school bestond in 1970 uit 400 leerlingen en 35 personeelsleden. U begrijpt dat een schoolkrant in een school met deze omvang niet mag ontbreken.

In de loop der jaren veranderde hij meerdere malen van naam (toen Het Sproetje en nu De Inktvlek), van jasje, van dikte, van inhoud van illustratie en van kwaliteit. Dit kwam doordat men steeds meer interesse toonde, men werd handiger en op de administratie kwam betere apparatuur, waardoor een waardevoller product kon worden aangeboden.

Op ouderavonden is de reactie over de schoolkrant erg positief. Als de schoolkrant uitkomt is het op de docentenkamer erg rustig want iedereen is vol belangstelling. Kom je in de klas en heb je de schoolkrant bij je, dan is het verstandiger om die uit te delen na de les, anders zou de belangstelling wel eens anders gericht kunnen zijn! Voor de redactie moeten dit redenen zijn om door te gaan met de krant. Moge wij U daarbij veel succes toewensen.

In de 80-er jaren wint de school zelfs een 1e prijs met de schoolkrant. Zie in onderstaande fotogalerij ook de foto van ‘de geboorte van de schoolkrant’, een artikel geschreven door een van de eerste redactieleden, Martien Verberne.

9. Het documentatiecentrum

Leerlingen moet je leren om zelf informatie te vinden voor een bepaald onderwerp,een spreekbeurt, een boekverslag. Daar leren ze meer van dan wanneer de docent het allemaal voorgekauwd aandraagt. Die onderwijsgedachte kreeg begin jaren 70 steeds meer vorm door op school een documentatiecentrum in te richten. Niet alleen boeken, naslagwerken maar ook dia’s, kaarten, folders, foto’s en films. Daarom verzorgde ik ook de audio-visuele middelen op school.  Martien Verberne en ik hadden samen de taak toebedeeld gekregen om zo’n documentatiecentrum in onze school gestalte te geven. Wekelijks waren daar overleguren voor ingeroosterd. Eerst wed het centrum ondergebracht in lokaal 21, het vroegere overblijflokaal van de Trip. Later werd het ondergebracht in een nieuwe lesruimte deel uitmakend van de fietsenkelder, onder de 1e gymzaal gelegen.

We gebruikten, net als bijna alle openbare bibliotheken een classificatiesysteem dat bekend staat onder de naam SISO. Het is de afkorting van Schema voor de Indeling van de Systematische catalogus in Openbare bibliotheken. Het systeem is gebaseerd op wetenschapgsgebieden: 100 = wijsbegeerte; 200 = godsdienst enz. Elk boek, naslagwerk, diaserie of wat dan ook kun je via een code rangschikken.

Van het potje geld dat we ter beschikking hadden werden metalen boekenkasten gekocht. En verder kochten we hele series naslagwerken, encyclopedieën enz. en uiteraard werden ook de bestaande boeken in dit systeem ondergebracht. Het personeel heeft diverse middagen – als je toch moest wachten op een volgende rapportvergadering –  besteed aan het plastificeren van boeken.  En zo maakte menig docent voor zijn vak gebruik van dit centrum. Om een boek te raadplegen voor een werkstuk of voor het bekijken van een diaserie. Er werd zelfs een speciaal lokaalrooster voor gemaakt. Van heinde en verre kwamen scholen kijken en mochten Martien en ik ze voorlichten over de gebruiksmogelijkheden maar ook over de knelpunten. Zoals het niet juist terugzetten van een boek volgens dat coderingssysteem. Een grote ellende was dat. Maar intussen kregen we zodoende al regionale bekendheid. Wij waren immers op dat moment koploper, zeker in het Zuid-Nederland. Hieronder het instructieboekje dat de leerlingen wegwijs moest maken in het documentatiecentrum. Zie verder de fotogalerij, eveneens hieronder.[embeddoc url=”https://www.pieterenmieke.nl/wp-content/uploads/1974-instr-boekje-doc.centrum-.pdf” width=”50%” height=”50%” viewer=”google”]

In de daaropvolgende jaren 80 kwamen accenten in het onderwijs al weer anders te liggen. Het documentatiecentrum werd ontmanteld en werd de ruimte overgenomen door het simulatiebedrijf Homed ‘RADO’ van kantoorpraktijk. Dit oefenbedrijf werd in 1988 officieel geopend.

10. Vormingsdagen

Op de middelbare school maken jongeren over het algemeen grote veranderingen mee. Het lichaam verandert. Ze doen ook nieuwe ervaringen op in relaties, in het omgaan met elkaar. Hoe denk je ergens over? Het maken van afspraken, gedragsregels, aandacht voor pesten. Je standpunt leren bepalen. En vooral: hoe leer je omgaan met die verschillen? De school en het team biedt daarbij de helpende hand. In leerjaar 1 zijn er daarom al ‘kennismakingsdagen’. Ook wordt soms externe hulp ingeschakeld zoals bij ‘vormingsdagen’ het geval is. Op ‘Sancta Maria’ gebeurde dat, begin 70-er jaren, aanvankelijk in leeerjaar 3. Leerlingen en klassendocenten gingen naar groepsaccommodatie ‘Zonnewende’ in St.Michielsgestel. De BAD (buitenschoolse activiteiten dienst) commissie onder leiding van Martien Verberne had daar een dienende rol in. En ook het godsdienstige aspect mocht niet verwaarloosd worden.

Enkele jaren later viel de keuze op een vormingscentrum in Zuid-Limburg. Vormingscentrum ‘Wormdael’ in Eygelshoven, op het voormalige terrein van de mijnen Laura en Julia. Daar konden meerdere klassen tegelijk naar toe. En ook het kostenaspect speelde destijds een grote rol. Later verhuisde het vormingscentrum naar nieuwbouw in het centrum van Sittard. Er werd op school altijd een ouderavond georganiseerd waarbij de leiders van het vormingsinstituut toelichting kwamen geven op het doel en het programma. ‘Uw dochters – de jongens volgden pas later –  worden toevertrouwd aan een aantal bekwame mensen, die goed op de hoogte zijn van de problemen van deze tijd en van onze jeugd’ wordt in de uitnodigingsbrief vermeld. In deze 70-er jaren zijn Mieke en ik heel wat jaren als begeleiders mee geweest naar ‘Wormdael’. De onderwerpen kwamen in de regel neer op ‘relaties’, tussen ouders en kinderen maar ook ‘jongen-meisje’, het rolgedag dan met name. Verslaving en dan met name ‘drugs’ stond op het programma. De gesprekken met politie, dealers en ex-verslaafden lieten meestal een diepe indruk na. Daarnaast was er ook nog tijd voor ontspanning en sport. Judo, een dropping, kegelen waren geliefde items. Over het algemeen was deze week een heel nuttige week aangezien deze op zeker moment aan het begin van het vierde leerjaar werd gepland. Dat kwam de kennismaking binnen de nieuwe klassensamenstelling prima van pas. Hieronder een voorbeeld van een verslag van zo’n week en een aantal foto’s.[embeddoc url=”https://www.pieterenmieke.nl/wp-content/uploads/1976-vormdagen-4GK3-HK-wm.pdf” width=”50%” height=”50%” viewer=”google”]

11. Op vossenjacht

Op vrijdag 1 september 1978 is Elly Sweere, de directrice, 25 jaar werkzaam in het onderwijs. Dit wordt groots gevierd: op donderdag 31 augustus is het feest voor de leerlingen en de dag zelf feest voor het team, het bestuur en genodigden. Voor de leerlingen is er een vossenjacht gepland. Welk groepje leerlingen slaagt er in om de meeste ‘vossen’, die zich her en der in het centrum van Deurne ophouden, op te sporen ? Over deze activiteit wordt nog lang nagepraat ! Zie de foto’s hieronder.

Tenslotte:

Je kunt stellen dat in dit decennium de basis werd gelegd, door de directie goed aangestuurd, om binnen afzienbare tijd tot de top van Nederland te gaan behoren. Ook zal me altijd bijblijven dat in deze periode inspraak in diverse zaken op touw werd gezet zoals het gremium ‘de Staf’ waarin elke vakgroep zijn of haar vertegenwoordiger had zitten. Mieke zat daar als vakgroephoofd van een aantal beroepsgerichte vakken ook in. En ook dat ging met vallen en opstaan. 

 

2.b.3 Wiskunde

Wiskunde 70-er jaren

Wiskunde zoals we dat tegenwoordig kennen, werd toen niet gegeven. Er werd via ‘Wikken en wegen’ nog volop gerekend. Veel vraagstukjes maar ook het hoofdrekenen kreeg de aandacht. Rekenmachines waren er nog niet voor het onderwijs. Redactiesommen. Geleidelijk aan zag je dat er meer Statistiek in het programma werd ingebouwd. En ook de Verzamelingenleer deed zijn intrede: de elementen, de Natuurlijke getallen, de doorsnede, de deelverzamelingen enz. Rond 1975 gingen we bij de bestaande NCB wiskundemethode extra leerstofmateriaal schrijven.  Daarbij hanteerden we Mastery Learning als differentiatiemodel. Als snel kwamen we er achter dat, wanneer we van methode zouden veranderen, ook al het extra materiaal ergens diep achter in de kast kon verdwijnen. We waren veel te afhankelijk. En zo ontstond het idee, samen met de LHNO school St. Bernadette te Valkenswaard– daar was de huisvriendin van Elly Sweere de directrice – een nieuwe wiskundemethode te schrijven. Henk van Wijk zou samen met Wilbert Reuter het proces begeleiden. Ruud Ivens, Wim van Dongen en ik, Pieter Willems waren de auteurs. Samen met collega René Cober bedachten we een eenvoudig figuurtje dat in alle plaatjes de teksten en begrippen kon verduidelijken: Bolleboosje. In de bovenbouw zijn er nog enkele andere auteurs aan toegevoegd zoals Piet Koorevaar uit Schoonhoven. Wilbert Reuter had inmiddels al lang een andere baan. Talloze avonden van overleg volgden. Vooral in Middelbeers bij Henk van Wijk thuis. En met de nodige trots zijn we een keer, ik dacht ergens in Ede, op een conferentie geweest waarbij wij namens onze uitgeverij, Nijgh & VanDitmar, de methode mochten presenteren. Onze doelstelling was om een goede wiskundemethode te schrijven. Dat is ook gelukt. Maar om daarmee een groot marktaandeel van andere uitgeverijen (Moderne Wiskunde en Getal en Ruitme) af te snoepen valt niet mee in onderwijsland. Ook ons is dat destijds niet gelukt. Het aantal gebruikers bleef relatief laag. En ook ons was toen al snel duidelijk dat je voor het geld geen methode moet gaan schrijven. Een zeilboot is altijd een droom gebleven! In ieder geval voor Henk van Wijk.

Hieronder een gedeelte uit een artikel n.a.v. ‘Meten van Lengte’ (auteur Pieter Willems) uit de methode Wiskunde in Uitvoering  die ik op het Internet een aantal jaren geleden tegenkwam. Enkele stukken ontleend aan het artikel (Kieskleurig, handleiding intercultureel lesmateriaal van Ineke Mok & Peter Reinsch d.d. 1999)

Dit boek was in de jaren tachtig nog in omloop. Het loont de moeite om er even in detail naar te kijken. Om te beginnen een kleinigheid waar je licht overheen leest: ‘Dicht bij de kust van Afrika’. Waar zou dat zijn? De kust van Afrika is enkele tienduizenden kilometers lang. Blijkbaar vindt de auteur een nauwkeuriger plaatsaanduiding niet nodig, hetgeen past bij het beeld van Afrika als ongedifferentieerd, diffuus en ver weg. Het is ironisch dat deze plaatsaanduiding voorkomt in de openingstekst van een hoofdstuk dat nu juist het meten van lengte en afstand tot onderwerp heeft.

Het eiland droeg vroeger de naam ‘Rimboea’; hoe het nu heet is blijkbaar niet van belang. De naam kan niet anders dan afgeleid zijn van ‘rimboe’. Rimboe roept twee associaties op, afhankelijk van het perspectief dat je kiest. Een westerling die de rimboe ingaat, is onverschrokken en tegen ontberingen opgewassen. Maar mensen die in de rimboe wonen zijn primitief en achterlijk.

De tweede zin bevat een stevig waardeoordeel: ‘bepaalde gewoontes waar ze niet van af wilden stappen’. Was dat dan nodig? Heeft iemand geprobeerd ze ervan af te brengen?

De rest van de tekst beschrijft drie van die gewoontes, ontsproten aan het brein van de auteur. Bij wijze van uitsmijter zet de tweede zin van de opdracht de Rimboeanen nog even extra op hun plaats: ‘Gebruiken wij die maten nu nog?’

Het is onwaarschijnlijk dat je in leerboeken van nu iets van het kaliber van Rimboea zult tegenkomen. Ik heb het hier besproken als uitvergroting van verschijnselen die in subtielere, meer verborgen vorm in recente schoolboeken wél zijn aan te treffen.

Wat moet een docent met een tekst als deze? Algemeen geldende adviezen zijn lastig te geven, want een aanpak die in de ene klas werkt hoeft in een andere klas volstrekt niet aan te slaan. Toch geef ik enkele adviezen voor het geval de leerkracht van mening is dat de gewraakte passage niet zonder correctie aan de leerlingen voorgehouden kan worden. Persoonlijk geef ik de voorkeur aan pogingen om leerlingen de passage zelf te laten ‘doorprikken’ door een richtvraag te stellen die past bij het karakter van het stuk in kwestie. Bij Rimboea zou ik vragen: ‘Wat denk je, is dit stukje echt, of is het verzonnen? Waar zie je dat aan?’

Rond de beantwoording van die vragen is een klassegesprek te voeren waarin de elementen uit de eigen analyse van de leerkracht ongetwijfeld opduiken. Pas daarna is het tijd voor een oordeel. Geef leerlingen de kans om zich uit te spreken, maar oefen geen zware druk uit. Eventueel kan de docent de leerlingen voorhouden dat dit stukje leerstof in het boek niet behandeld wordt. Het is moeiteloos te vervangen door ander materiaal.

2.b.4 Examen

Examen 70-er jaren

Uit onderzoek in de jaren 60 was gebleken dat het IQ van de leerlingen van de huishoudschool sterk varieerde. Er zaten ook leerlingen met talent op dit soort scholen ! Om de doorstroommogelijkheden te vergroten ging men vanaf toen differentiëren. Zo kwam er een P‑stroom en een T‑stroom, respectievelijk voor de zogeheten meer praktisch en meer theoretisch ingestelde meisjes. Leerlingen uit de T-stroom hadden meer in hun mars.

De examinering van het huishoudonderwijs – en ook van alle andere vormen van beroepsonderwijs – stond nog in de kinderschoenen. Lange tijd kregen de leerlingen van de tweejarige primaire opleiding een getuigschrift. In 1968 krijgt het huishoudonderwijs een plaats in de Mammoetwet en gaat dan officieel LHNO heten. Hoewel er facultatief al een derde ‘assistente’-leerjaar was, wordt de opleiding vanaf dat moment driejarig en voor alle leerlingen verplicht. Ook het aantal algemeen vormende vakken, ten koste van het urenaantal voor de praktijkvakken, werd daardoor uitgebreid.

In mijn eerste jaar (schooljaar 1971-1972) als docent op Sancta Maria, was ik meteen mentor en gaf ook meteen les aan drie eindexamenklassen. Ik was zodoende ook meteen lid van de examencommissie ! Dat was allemaal min of meer vanzelfsprekend; meteen voor de leeuwen dus. Het eindexamen begin 70-er jaren was heel anders geregeld. Het LHNO was zoals gezegd driejarig. Er waren (nog) geen schoolonderzoeken; gewoon les. En uiteraard geen computers, geen zakrekenmachines. Alles ging nog schriftelijk en mondeling. Er was maar één examentijdstip en dat was toentertijd ook al in de maanden mei en juni. Alles hing van dat ene moment af. Mijn examenklassen waren PH1; PH2 en PN. De ‘H’ stond voor de richting huishoudkunde  en de ‘N’ voor naaldvakken. Daarnaast had je nog T-klassen van de T-stroom. In mei/juni werd er voor de vakken Nederlands, Engels en Rekenen een schriftelijk examen afgelegd. Een T- of een P-examen. Het schriftelijk deel werd afgenomen in lokaal 7 en 8 van het hoofdgebouw. Ik kan me nog herinneren dat we bij aanvang van het examen als surveillant werden verzocht om met een openingsgebed (het Onze Vader) te beginnen!
Er waren P-leerlingen die bijvoorbeeld voor Nederlands of een ander vak ook meer in hun mars hadden, zij deden dan een zogenaamd aanvullend T-examen voor dat vak. In 1973 verschijnt dan het besluit LBO – LAVO. Het bekende lichtblauwe boekje. Daarin worden alle vormen van LBO onderwijs geregeld: LHNO, LTO, LEAO enz. maar ook vanaf die tijd het Individueel Onderwijs zoals I.H.N.O. Meer differentiatie en ook inspelen op de doorstroming. Vanaf schooljaar 1972-1973 ben ik voortaan de waarnemend secretaris van de examencommissie. Ergens in april – ik denk tijdens de Paasvakantie –  kwamen Elly Sweere, Matern Gijsen en ik een middag naar school om het rooster samen te stellen voor het centraal examen. Een klus die, in tegenstelling tot nu, vrij snel was geklaard. Ook mondelinge examens werden gepland en met een assessor (waarnemer) erbij ! De schooladministratie had er nog het meeste werk mee. In 1975 worden voor de laatste keer P-, T- en aanvullend T-examens afgenomen. Hieronder een aantal foto’s over de organisatie van de examens van P- en T-stroom.

Hieronder een aantal foto’s van de verschillende diploma’s en andere waardepapieren die destijds werden uitgereikt. De secretaris van het eindexamen wisselde nogal eens: Riet Angenendt, Matern Gijsen en uiteindelijk Pieter Willems. Onze welgemeende dank aan Corry, Rinie, Ineke en Truusje voor het beschikbaar stellen van deze waardepapieren. 

In schooljaar 1975-1976 worden de eamenkandidaten – Elly Sweere maakte sinds 1972 deel uit van de ‘werkgroep 4 jarig LHNO’ – voor de eerste keer in een vierde leerjaar geëxamineerd volgens de nieuwe systematiek. De niveaudifferentiatie (A, B en C niveau) is een feit. En ook worden er voortaan minstens twee schoolonderzoeken afgenomen. De docent moet per niveau een apart examen maken en daarbij vooral de leerdoelen bewaken. Leerlingen kunnen op dubbelniveau examen afleggen. Zodoende zijn in veel gevallen twee cijfers achter een vak zichtbaar op het rapport. En op het einde werd dan het hoogste niveau gekozen. Mits je met die cijfers slaagt! De vraagvorm bij veel examens is multiple choice. Dat is mede te danken aan het Centraal Instituut, het CITO, dat sinds 1968 daarvoor o.a. is opgericht. De open vraagvorm wordt nog maar zelden gebruikt. In deze tijd dient zich ook een nieuw vak aan zoals ‘kantoorpraktijk’. Ook wordt er tijdens deze jaren een begin gemaakt met de harmonisatie van het Lager Beroepsonderwijs (LTS, LHNO, LEAO enz). Er volgt meer samenhang en eenheid. Hieronder een aantal foto’s van de organisatie bij de invoering van het vierjarig LHNO en de nieuwe examensystematiek. 

Hieronder een galerij van de nieuwe waardepapieren met speciale dank aan Marga voor het beschikbaar stellen ! 

Diplomauitreikingen vonden in die tijd op verschillende locaties plaats. Er was immers nog geen aula. Die komt er pas in 1980. Aanvankelijk werden de diploma’s nog uitgereikt in het patronaatsgebouw ‘Rust Roest’, schuin tegenover de school gelegen. Later gevolgd door zaal van Moorsel (o.a. in 1970) in de Molenstraat. 

Weer later De Vierspan, de nieuwe gemeenschapsruimte van Deurne-centrum. Het werd een gewoonte dat ook de docenten op zo’n avond een optreden verzorgden: een toneelstuk, een liedje enz. Eén van de favorieten was toch wel de schnitzelbank: een stapellied waarbij een voorzanger een vraag zingt, de groep antwoordt waarna het stuk wordt toegevoegd aan het refrein. In die tijd een vorm die veelvuldig gebruikt werd op feestjes en partijen. Weer later in gemeenschapshuis  Den Draai in Zeilberg, waar bovendien door docenten het toneelstuk ‘Loop naar den duvel’ werd opgevoerd. En Joh Coolen had dan vaak met leerlingen iets muzikaals ingestudeerd en Martien Verberne was altijd , namens de commissie ‘buitenschoolse activiteiten’, de ceremoniemeester. Hieronder wordt toepasselijk met een fotogalerij het hoofdstuk ‘examen 70-er jaren’ afgesloten.